Forbidden Colours was aanwezig bij de hoorzitting van het EU-Hof over de Hongaarse anti-LGBTIQ+-wet

Op 19 november 2024 hield het Hof van Justitie van de Europese Unie de mondelinge behandeling in de rechtszaak tegen de anti-LGBTIQ+-wet van Hongarije. Onze outreach- en beleidsmedewerker, Vincent Reillon, was aanwezig in de rechtszaal en schreef de onderstaande samenvatting.

Samenvatting van de hoorzitting bij het Hof van Justitie van de EU over de Hongaarse ‘anti-LGBTIQ+-propagandawet’

Het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg hield de zitting in de inbreukprocedure die de Europese Commissie tegen Hongarije is gestart naar aanleiding van de in juni 2021 aangenomen ‘anti-LGBTIQ+-propagandawet’ onder de regering van Viktor Orbán. Deze wet verbiedt de ‘promotie’ en weergave van LGBTIQ+-thema’s op plaatsen waar minderjarigen aanwezig kunnen zijn. De wet heeft talrijke gevolgen, waaronder verboden op uitzendingen in de audiovisuele media, beperkingen op de verkoop van boeken over deze thema’s en beperkingen op seksuele en relationele vorming in scholen.

Deze inbreukprocedure, die op 19 december 2022 bij het Hof werd geregistreerd, is om twee redenen historisch. Ten eerste omdat de Europese Commissie voor het eerst heeft vastgesteld dat een lidstaat artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) heeft geschonden, waarin de fundamentele waarden van de Unie zijn vastgelegd. Ten tweede omdat 16 EU-lidstaten en het Europees Parlement hebben besloten zich bij de Commissie aan te sluiten in haar zaak tegen Hongarije. Dit niveau van steun voor de Commissie tegen een andere lidstaat is ongekend en getuigt van een gedeeld bewustzijn van de ernst van de situatie.

Gezien het belang van de zaak voor de jurisprudentie die hieruit zou kunnen voortvloeien over artikel 2 VEU, werd de hoorzitting gehouden voor het voltallige Hof. De aanwezigheid van alle 27 rechters is echter slechts in ongeveer één op de 1000 zaken vereist, wat opnieuw de historische aard van de voorgelegde zaak en het verwachte arrest aantoont.

De 12 aanwezige lidstaten – België, Denemarken, Duitsland, Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Luxemburg, Malta, Nederland, Finland en Zweden – steunden allen de Europese Commissie in haar verzoek om Hongarije te veroordelen voor de schending van artikel 2 VEU. Ook het Europees Parlement verleende zijn steun, wat een verenigd front markeert tussen de Europese instellingen en de lidstaten tegen de wet die door de regering van Viktor Orbán gewenst en verdedigd wordt.

Aan het einde van de zitting kondigde de advocaat-generaal aan dat haar conclusie over de zaak op 5 juni 2025 zal worden gepubliceerd. Dit suggereert dat het Hof in de tweede helft van 2025 uitspraak zal doen in deze zaak.

De Commissie presenteert haar argumenten

Op dinsdag 19 november presenteerde de Europese Commissie als eerste haar argumenten voor een voltallige Grote Kamer. Zij ziet de Hongaarse wet als een frontale aanval op de rechtsorde. Naar de mening van de Commissie vormt de wet die in Hongarije is aangenomen op grond van ‘kinderbescherming’ een systematische, opzettelijke, gecoördineerde en ernstige schending van de EU-regels en -normen.

De Commissie voert aan dat de vermeende risico’s van het blootstellen van minderjarigen aan seksuele minderheden en genderdiversiteit, waarop de Hongaarse regering zich beroept, niet zijn aangetoond. Integendeel, de Commissie wijst erop dat juist deze wet schade toebrengt aan minderjarigen, in het bijzonder LGBTIQ+-minderjarigen, door het gevoel van uitsluiting en isolatie van de betrokkenen te versterken, evenals vooroordelen tegen LGBTIQ+-personen.

De presentatie gaat vervolgens in op de vraag of er sprake is van een schending van artikel 2 VEU en hoe deze schending erkend moet worden. Een dergelijke schending is nog nooit eerder voor het Hof gebracht. De taak van de Commissie is daarom om de redenering uiteen te zetten die het Hof zou kunnen volgen om de inbreuk op dit artikel te bevestigen, waarin de fundamentele waarden van de Unie zoals menselijke waardigheid, gelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten zijn gedefinieerd.

De Commissie presenteert een getrapte redenering gebaseerd op het feit dat de Hongaarse wet inbreuk maakt op EU-richtlijnen over diensten en de audiovisuele sector, evenals op verschillende artikelen van het Handvest van de grondrechten. Naar de mening van de Commissie heeft de Hongaarse wet een systemisch karakter dat verder gaat dan individuele schade. De cumulatieve maatregelen van de wet zijn van een zodanige intensiteit, omvang en reikwijdte dat deze niet alleen individuen treffen, maar ook het fundament van de samenleving aantasten.

De Commissie merkt op dat de wet een ernstige en verstrekkende aanval vormt en dat deze inbreuk maakt op diverse grondrechten en normen, wat getuigt van een gecoördineerd beleid tegen een minderheid. Een dergelijke wet toont aan dat de Hongaarse regering LGBTIQ+-personen beschouwt als een bedreiging voor de samenleving, met name door het verband dat in de Hongaarse wet wordt gelegd tussen LGBTIQ+-personen en pedofielen. Voor de Commissie tast de wet de menselijke waardigheid van LGBTIQ+-personen aan, maar ook de vrijheid van meningsuiting en informatie.

Met deze getrapte benadering rechtvaardigt de Commissie aldus haar verzoek aan het Hof om een schending van artikel 2 VEU vast te stellen, waarmee de ernst van de inbreuk die de Hongaarse wet maakt op de grondrechten van individuen en de fundamentele waarden van de Europese Unie wordt gemarkeerd.

Hongarije verdedigt zijn ‘kinderbeschermingswet’ met hand en tand

Hongarije voert vervolgens het woord om de door de Europese Commissie aangevochten wet te verdedigen. Voor Hongarije is er sprake van een volledig misverstand. Het doel van de wet is niet om LGBTIQ+-personen te discrimineren of te schaden. Het doel is om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die schadelijk zou kunnen zijn voor hun ontwikkeling en die angst, depressie en andere schadelijke effecten zou kunnen veroorzaken. Voor de Hongaarse regering betekent dit vertrouwen op ouders, die het best geplaatst zijn om te beslissen wanneer zij LGBTIQ+-kwesties met hun kinderen bespreken.

Hongarije is van mening dat de aangenomen wet noch homofoob noch transfoob is en dat deze geen invloed heeft op de gelijke rechten van LGBTIQ+-personen. Dit wordt volgens hen bewezen door het feit dat de Europese Commissie geen enkele LGBTIQ+-persoon heeft kunnen identificeren die rechtstreeks door de aangenomen maatregelen zou zijn getroffen.

Vanuit het Hongaarse standpunt is de wet niet gericht op individuen, maar op uitingen gericht aan minderjarigen. Hongarije stelt dat het aan de Europese Commissie is om aan te tonen dat uitingen en informatie over seksuele minderheden en genderdiversiteit niet schadelijk zijn voor minderjarigen. In de tussentijd past Hongarije een voorzorgsbeginsel toe met betrekking tot dergelijke uitingen, terwijl het recht van ouders om hun kinderen naar eigen inzicht op te voeden gewaarborgd blijft. Hongarije verwerpt daarom alle beschuldigingen die de Commissie in deze zaak heeft geuit.

De andere lidstaten en het Europees Parlement

Van de 16 lidstaten die zich in het voorjaar van 2023 bij de procedure hebben aangesloten, waren er 12 aanwezig bij de hoorzitting om hun argumenten ter ondersteuning van de Commissie te presenteren. Alleen Frankrijk, Oostenrijk, Portugal en Slovenië achtten het niet nodig om hun schriftelijke opmerkingen van het najaar van 2023 aan te vullen met een mondeling pleidooi voor het Hof.

België bijt de spits af en voert aan dat de Europese Unie de middelen moet krijgen om haar waarden te verdedigen. Door een redenering te presenteren die geïnspireerd is op de procedures van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, is België van mening dat artikel 2 VEU inderdaad is geschonden. Denemarken wijst er vervolgens op dat het recht om niet gediscrimineerd te worden een grondrecht van de EU is. Naar de mening van het Scandinavische land maakt de Hongaarse wet inbreuk op de menselijke waardigheid en is artikel 2 VEU inderdaad geschonden.

Duitsland is van mening dat het Hof een duidelijke tweeledige aanpak moet hanteren om een schending van artikel 2 te rechtvaardigen: erkennen dat de kernwaarden zijn aangetast en dat de geconstateerde schending ernstig is. Aangezien aan deze twee voorwaarden in de onderhavige zaak wordt geacht te zijn voldaan, is Duitsland eveneens van mening dat artikel 2 VEU is geschonden. Estland wijst er vervolgens op dat welvaart alleen kan worden bereikt in vrede en met respect voor fundamentele waarden. In het geval van de gewraakte wet merkt het Baltische land op dat LGBTIQ+-personen door de Hongaarse regering als een bedreiging worden behandeld, wat alle waarden uit artikel 2 VEU schendt.

Ierland is van mening dat Hongarije zich door de ondertekening van de EU-verdragen heeft verbonden tot de eerbiediging van het EU-Handvest van de grondrechten. Het volgt de logica van de Commissie en erkent dat artikel 2 VEU is geschonden, in samenhang met de andere bepalingen van het Unierecht die zijn overtreden. Ook Griekenland en Spanje volgen de logica van de Commissie.

Luxemburg is van mening dat verschillende grenzen zijn overschreden door de aanname van de Hongaarse wet. Voor het Groothertogdom vormt artikel 2 VEU de constituerende lijm van de Unie, haar vitale weefsel. Het respecteren van de daarin uiteengezette waarden is een voorwaarde voor elke toetreding tot de EU en na toetreding is het voor een lidstaat onmogelijk om hiervan af te zien. Door het ernstige, cumulatieve, structurele en systemische karakter van de schendingen van het EU-recht te erkennen, erkent Luxemburg eveneens dat artikel 2 VEU is geschonden.

Malta presenteert vervolgens, ter ondersteuning van de Commissie, zijn visie op een schending van artikel 2 VEU op basis van relevante en omvangrijke schendingen van het EU-recht op gebieden waar de Unie een exclusieve of gedeelde bevoegdheid heeft. Malta concludeert vervolgens dat aan de twee gestelde voorwaarden is voldaan en is op zijn beurt van mening dat Hongarije inderdaad artikel 2 VEU heeft geschonden. Nederland volgt daarna en komt tot dezelfde conclusie.

Finland wijst er op zijn beurt op dat de waarden gedefinieerd in artikel 2 VEU de identiteit en het fundament van de Unie vormen. Finland neemt de redenering van de Commissie over van een algemene, wijdverspreide, ernstige en aanhoudende inbreuk op de normen van de Unie en is eveneens van mening dat artikel 2 VEU is geschonden. Zweden, de laatste lidstaat die een mening kenbaar maakt, benadrukt dat waarden de kern vormen van de gemeenschappelijke rechtsorde van de Unie. Zweden is ook van mening dat de Hongaarse regering met haar wet duidelijk de intentie heeft om LGBTIQ+-personen te stigmatiseren en is van mening dat artikel 2 VEU is geschonden.

Het Europees Parlement sluit de presentaties af door te verklaren dat het zelden tussenbeide komt in inbreukprocedures. Het Europees Parlement heeft echter resoluties aangenomen waarin de Hongaarse wet krachtig wordt veroordeeld en moest in deze procedure tussenbeide komen in volledige steun aan de Europese Commissie.

Technische vragen die het belang van het arrest benadrukken

De vragensessie die volgt op de pleidooien van de partijen richt zich bijna uitsluitend op de vraag wat de erkenning van een inbreuk op artikel 2 VEU rechtvaardigt. De technische discussies richten zich in het bijzonder op het verschil tussen de inbreukprocedure die ter discussie staat en de procedure voorgesteld in artikel 7 VEU, die de Raad van de EU in staat stelt vast te stellen dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door een lidstaat van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden.

Aangezien het Hof nog nooit een schending van artikel 2 VEU heeft vastgesteld, proberen de rechters de verschillende benaderingen te begrijpen die door de Commissie en de lidstaten zijn voorgesteld om een robuuste procedure vast te stellen om in verschillende situaties te beslissen of artikel 2 VEU al dan niet is geschonden.

De slotverklaringen van de verschillende partijen herhalen simpelweg de aanvankelijk uiteengezette standpunten. De advocaat-generaal sluit vervolgens de zitting af door aan te geven dat haar conclusie over de zaak, gebaseerd op de schriftelijke bijdragen en de hoorzitting van de dag, op 5 juni 2025 zal worden gepubliceerd. Het arrest van het Hof in deze zaak zal daarom pas in de tweede helft van 2025 volgen.